De Ademdief – Tweede Hoofdstuk

THALIA

‘Lie!’ Ik ben nog nooit zo dankbaar geweest om Livvy’s stem te horen. Mijn zusje komt me al tegemoet als ik nog maar halverwege de hal ben en slaat haar warme armpjes om me heen. Ik til haar op en druk haar stevig tegen me aan. Haar lichaampje bibbert als de wind vanaf de openstaande voordeur dwars door haar dunne trui blaast, maar ze probeert het te verbergen door haar hoofd in mijn nek te leggen. Vroeger deed ze dat bij mama als ze getroost wilde worden, maar ze was nog zo jong toen we moesten vluchten. Ze heeft nog maar zo weinig herinneringen aan die tijd.

‘Lie, er is iets gebeurd. Met oma.’

Met een zucht druk ik haar nog iets steviger tegen me aan. ‘Ik weet het, Livvy, ik weet het.’ Met mijn voet schop ik de voordeur dicht.

‘Het is nu Liv, weet je nog? Ik ben geen kleuter meer.’ Ze springt terug op de grond en loopt met grote passen voor me aan naar de woonkamer. Nee, ze is geen kleuter meer, maar ook nog geen tien, de leeftijd waarop de gave zich meestal voor het eerst openbaart. En ze is al helemaal nog niet oud genoeg om iets met die gave te doen. Als het aan mij ligt, gebeurt dat nooit.

Ik hang mijn kletsnatte jas over een stoel voor de open haard en zet mijn sneeuwlaarzen ernaast. De warmte komt me tegemoet en het ruikt naar kaneel. ‘Ik heb kaneelbroodjes gebakken.’ Livvy haalt trots een bakplaat met mijn favoriete broodjes uit de oven. ‘Ze moeten nog even afkoelen. En als je de zwarte randjes eraf snijdt, zijn ze best te doen,’ voegt ze eraan toe. Ze zet het bakblik op het aanrecht en laat zich met een plof in de oude leunstoel zakken die we een paar weken geleden in de kringloopwinkel hebben gekocht. ‘Het briefje vatte vlam nadat ik het gelezen had, Lie. Het was alsof de wind zelf in vuur veranderde en ik kon het niet blussen.’

Ik laat me zakken op de bank tegenover de stoel en trek mijn trui uit. Het is warm zo dicht bij de open haard. ‘De Jagers hebben haar gevonden. De magie in oma’s bloed moet ervoor gezorgd hebben dat wij daar bericht van kregen. Ik heb het nog maar een keer eerder gezien, toen oma’s oudste zus gedood was en oma zo’n briefje kreeg.’ Een paar seconden lang kijk ik in haar lichte ijsblauwe ogen voor ik de woorden uitspreek waardoor haar wereld opnieuw uiteen spat. Zoals ze daar zit met haar lange, roodbruine haar en met haar armen om haar benen geslagen lijkt ze ouder dan ze werkelijk is. Ze doet alsof ze niet bang is, maar soms hoor ik haar ’s nachts schreeuwen. Als ik dan bij haar kom, moet ik alle monsters uit haar kamer wegjagen voor ze weer durft te gaan slapen. De volgende ochtend weet ze er niets meer van. Dit leven heeft niet alleen zijn sporen nagelaten bij mij, maar ook bij haar. Ze heeft geen idee hoe het was om een vader en een moeder te hebben. Haar wereld bestaat al zolang ze zich kan herinneren uit zij en ik. En een handjevol vluchtige vriendinnetjes.

‘Livvy…’

‘Liv.’ Ze kijkt me streng aan.

Ik glimlach, maar die verdwijnt meteen weer als ik verderga. ‘De Jagers hebben niet alleen oma gevonden, maar ons ook.’ Ik zwijg even, laat de woorden bezinken. ‘Je weet wat dat betekent.’

Een intense droefheid kruipt over haar gezicht. In het licht van het haardvuur zie ik duidelijk hoe een traan zich vormt, glinsterend in haar rechterooghoek. ‘Ik weet het,’ zegt ze zachtjes. ‘Ik kan zeker geen afscheid meer nemen van Audrey en Britt?’ Resoluut veegt ze de traan weg.

Met moeite schud ik mijn hoofd. ‘Het spijt me, Livvy.’

Livvy staat op en loopt met haar hoofd op de grond gericht naar de slaapkamer om haar spullen bij elkaar te zoeken. Schuldgevoel overmant me, ook al weet ik dat ik niets aan de situatie kan doen of veranderen. Dat die ene Jager me heeft laten gaan, wil niet zeggen dat de rest dat ook doet. Ze zullen ons vinden als we hier blijven, en dan zal er geen genade meer zijn.

Mijn wangen gloeien en ik trek mijn T-shirt ook uit, maar zelfs in mijn hemdje heb ik het nog bloedheet. Op blote voeten loop ik naar onze slaapkamer en blijf in de deuropening staan. Met een zucht gooit Livvy al haar spullen in een grote weekendtas. We hebben niet veel spullen, alleen wat we echt nodig hebben, maar toch lijkt het nog best veel nu alles in een tas moet passen. We zullen de meubels moeten laten staan en een nieuw onderkomen moeten zoeken. Een halfjaar lang hebben we hier gewoond, ons aangepast aan de omgeving, zonder op te vallen. Onze gesprekken met de buren waren oppervlakkig, net als de vriendschappen van Livvy. Ik weet dat ze naar een echte vriendin verlangt, eentje aan wie ze al haar geheimen kan vertellen, en ik vind het verschrikkelijk dat ik haar dat niet kan geven. Ik wil haar zoveel geven, maar het zal nooit genoeg zijn. Niet zolang we dit leven leiden.

‘Wat is er met jou aan de hand?’ Livvy staat voor me met de weekendtas in haar hand en bekijkt me aandachtig. Ze legt haar andere hand tegen mijn voorhoofd en fronst haar wenkbrauwen. ‘Je gloeit helemaal. Heb je koorts? Ben je ziek?’

Ben ik dat? Heb ik kougevat toen ik zo lang buiten was vandaag? Ik denk aan het moment dat ik die ijzige steken voelde in mijn hart en oma’s woorden hoorde. De hitte begon vlak daarna, en toen…

‘Nee, ik denk niet dat ik ziek ben. Ik weet niet precies hoe het komt, maar toen die Jager me aanviel…’

Livvy’s ogen worden groot. ‘Een Jager? Heb je een Jager gezien? Hoe kan het dan dat je nog leeft? Niemand overleeft een aanval van Jagers, dat heb je me zelf verteld.’

‘Het was er maar één, Livvy. Ik kon hem overrompelen met mijn gave.’

Livvy laat de weekendtas op de grond vallen en slaat haar armen om me heen. ‘Als hij dood is, waarom moeten we dan vluchten, Lie? Waarom kunnen we hier niet gewoon blijven?’

‘Hij is niet dood, Livvy, en hij zal zijn gevaarlijke vriendjes waarschuwen dat we hier zijn.’ Ik duw haar een stukje van me af en loop naar mijn kant van de slaapkamer. Zo snel ik kan prop ik al mijn kleren en spullen in mijn eigen tas en laat de gebeurtenissen van vanavond opnieuw door mijn hoofd gaan. Waarom heeft de Jager me laten gaan? En waarom heb ik, oen dat ik ben, hem in hemelsnaam zijn levenslucht teruggegeven?

Livvy blijft van een afstandje naar me kijken en fronst haar wenkbrauwen als ze mijn gezicht ziet. ‘Wat is er gebeurd, Lie? Waarom gloei je zo? Het lijkt wel of je licht geeft.’

Met een ruk sta ik rechtop en gooi mijn tas op de donkerbruine tegelvloer. Ik haal er een handspiegel uit en bekijk mezelf. Behalve mijn verwarde bos stroblond haar, lichtbruine ogen en sproetjes op mijn neus en jukbeenderen zie ik niets bijzonders. Er zit een zwarte veeg op mijn wang, ik heb donkere kringen onder mijn ogen en ingevallen wangen; de keerzijde van het gebruiken van mijn gave. Mijn haar is nog nat van de mistige vochtigheid buiten, maar ik zie geen licht.

Of toch wel? Nu ik wat beter kijk, zie ik dat mijn wangen rood zijn. En mijn gezicht… er lijkt een lichtere, glanzende gloed omheen te hangen, alsof ik opeens een aura heb die iedereen kan zien. Maar het ziet er niet zo uit als toen ik mezelf zag in de pupillen van de Jager. En het vervaagt met de seconde. Ergens heb ik het idee dat er morgen niets meer van te zien zal zijn.

‘Je hebt hem laten gaan, is het niet?’ vraagt Livvy uiteindelijk.

Ik haal mijn schouders op. ‘Zoiets.’

‘Waarom?’

Waarom? Omdat oma tegen me zei dat ik genade moest tonen en nu zijn Livvy en ik in gevaar. ‘De volgende keer zal ik niet opnieuw aarzelen. Dat kan onze dood betekenen.’

Livvy knikt, omdat ze me kent. Ze weet dat ik nu niets meer zal loslaten. Maar ze zal proberen me op een zwak moment antwoorden te ontfutselen. Soms lukt haar dat, maar meestal niet. Zwijgend gooit ze nog een paar spulletjes in haar tas en ritst hem dicht. Ik doe hetzelfde, pak onze slaapzakken en rolmatrasjes uit de kast en loop achter haar aan naar de woonkamer. Daar kijk ik in het rond, voor de laatste keer. De open haard, de fauteuil en de bank zijn het afgelopen halfjaar onderdeel geworden van een vaste routine. We aten terwijl we het nieuws volgden op de kleine televisie die ik ergens goedkoop op de kop heb kunnen tikken. Dit huisje was ons thuis, ons toevluchtsoord, en nu moeten we weer helemaal opnieuw beginnen. Weer worden we gedwongen te vluchten. Ik weet niet hoelang ik dit leven nog op kan brengen, maar ik moet me groothouden voor Livvy. Niemand schiet er iets mee op als ik mijn hoofd laat hangen.

Pas wanneer we in de auto zitten en over de snelweg rijden, sta ik het mezelf toe een beetje te ontspannen. De snelwegen zijn dankzij de strooiwagens inmiddels vrij van ijs en sneeuw, dus ik hoef niet bang te zijn voor glijpartijen. Een beetje schuldig voel ik me echter wel, want deze auto is niet van mij. Hij is van onze buurvrouw. Maar nood breekt wet, want ik zou niet weten hoe ik ons anders snel genoeg in veiligheid kan brengen. Het plan is om eerst een flink stuk naar het zuiden te rijden, daarna op een klein station de trein te pakken naar het noorden, en dan via Leeuwarden verder naar de haven van Harlingen te reizen. We kopen een kaartje voor de overtocht naar Terschelling, want ik herinner me dat mijn moeder ooit vertelde over de bunkers die daar in de Tweede Wereldoorlog zijn neergezet om vliegtuigen van geallieerden te zien aankomen. Tegenwoordig schijn je erin te kunnen overnachten. Of, in ons geval, erin te kunnen schuilen. Misschien lopen er wel ondergrondse gangen onder een deel van het eiland, en dat betekent dat er manieren zijn om te vluchten wanneer dat nodig is. Pas als we veilig in een bunker zitten – ik heb geen idee hoelang we onderweg zullen zijn – zal ik onze buurvrouw via via laten weten waar haar auto staat. Hopelijk laten de Jagers zich op die manier lang genoeg om de tuin leiden, dat Livvy en ik daadwerkelijk een kans hebben ongezien naar het eiland te vluchten. Omdat die ene Jager mijn gezicht heeft gezien, zal ik extra voorzichtig moeten zijn en grote mensenmassa’s moeten vermijden. Het scheelt dat ik daar toch al zenuwachtig van word, dus erg veel moeite zal me dat niet kosten. Voor Livvy zal het een stuk minder makkelijk zijn, maar onze veiligheid heeft nu prioriteit.

Gedurende de reis denk ik aan de oma die ik al vijf jaar niet gezien heb, aan haar woorden die door mijn hoofd spookten alsof ze pal naast me stond. Ik denk aan de ijzige steken en vervolgens de hitte in mijn hart, alsof iemand me met een withete pook doorboorde.

Het steekt dat ik geen idee heb waar oma woonde, en dat we haar om die reden geen fatsoenlijke begrafenis of crematie kunnen geven. Hoewel we al jaren nauwlettend de nieuwsberichten in de gaten houden, slagen de Jagers er steevast in geen enkele aanwijzing achter te laten voor zowel de politie als de ongelukkige vinders van de lichamen. Oma’s lot zal min of meer hetzelfde zijn, en dat vind ik verschrikkelijk. Misschien zal ik ooit wel op dezelfde manier eindigen, en ook dan zal er niemand zijn om bij mijn lichaam te treuren, of mooie woorden uit te spreken. Voor Livvy zal dat te gevaarlijk zijn, omdat de Jagers de overledenen in de gaten houden voor het geval er familie komt opdagen. Dus als we al wisten waar oma woonde, dan nog hadden we er niet naartoe gekund.

Ik kijk naar Livvy, die mijn nieuwe valse identiteitskaart bestudeert en onze nieuwe namen keer op keer herhaalt. Vanaf nu zijn we niet meer Abby en Julia, zoals de buitenwereld ons kende. Vanaf nu zijn we Hannah en Sofie, twee zusjes die hard op weg zijn om voor de zoveelste keer een nieuw bestaan op te bouwen.