De Ademdief – Eerste hoofdstuk

THALIA

IJspegels hangen aan dakgoten en lantaarnpalen. De klinkerweg onder me is spekglad en heeft mijn evenwicht al twee keer op de proef gesteld. Ik probeer niet te denken aan wat er gaat gebeuren als ze me pakken. De angst mag me niet in zijn greep krijgen, ook al doet hij zijn uiterste best om zijn klauwen in mijn borst te slaan. Mijn hartslag versnelt als mijn sneeuwlaarzen opnieuw wegglijden, maar de grote hoeveelheid adrenaline in mijn lichaam voorkomt dat ik daadwerkelijk val. Om me heen hangt een hardnekkige mist, waardoor ik niet goed kan zien waar ik loop. Dat is het nadeel van een nomadisch bestaan, dat je nooit ergens lang genoeg bent om alle mogelijke vluchtweggetjes te leren kennen. Mijn vingers raken de gladde klinkers als ik een bocht om schiet, maar vinden gelukkig houvast bij de paal van een verkeersbord. Het ding is bedolven onder een oude laag sneeuw, vastgevroren en besmeurd met modder. De geur van uitlaatgassen is blijven hangen in de mist, ook al waren er vandaag niet veel auto’s op de weg. Alleen de meest dappere – en idiote – bestuurders waagden het om op een dag als deze de gladheid te trotseren. Geen wonder dat er zoveel ongelukken zijn gebeurd. Nederland is nooit voorbereid op dit soort omstandigheden.

Livvy en ik zijn echter op alles voorbereid. Wij kunnen nooit achteroverleunen en onze waakzaamheid laten verslappen. Zelfs als negenjarige begrijpt Livvy als geen ander hoe belangrijk het is dat we nooit te lang op een plek blijven. Ze heeft geleerd snel vrienden te maken, om de tijd die we hebben ten volle te benutten. Weliswaar onder een valse naam, maar dat betekent niet dat de vriendschap niet echt is. Ze is loyaal, vrolijk en leergierig, en andere kinderen trekken naar haar toe alsof ze een magneet is. Het is onmogelijk om niet van Livvy te houden.

Livvy… Ik heb beloofd dat ik haar na het eten zou helpen met een paar lastige deelsommen. Maar ik kan niet rechtstreeks naar huis. Niet nu ze achter me aan zitten. Ik waag het om over mijn schouder te kijken, maar terwijl ik dat doe, glippen mijn benen onder mijn lichaam vandaan en glijd ik in de richting van de stoeprand. Met een misselijkmakende klap knal ik met mijn rug tegen een lantaarnpaal, in een plas gesmolten smurriesneeuw. Bijna meteen floept het licht uit, en dat van de lantaarnpaal ernaast. In minder dan een tel is de hele straat in duisternis gehuld.

Een fractie van een seconde blijf ik liggen, verdwaasd en verkleumd tot op het bot. Mijn dikke gewatteerde jas is aan de buitenkant doorweekt en bij de mouwen dreigt het ook door te dringen tot de binnenkant. Mijn benen voelen aan alsof er met vlijmscherpe mesjes in gestoken wordt, keer op keer. Zelfs een legging onder mijn spijkerbroek is niet genoeg om deze ijzige kou af te weren.

Zware voetstappen komen dichterbij en halen me uit mijn korte trance. Vliegensvlug sta ik op en ren verder terwijl ik over mijn rug wrijf. Maar ik heb geen tijd om erbij stil te staan. Als ik het red, smeer ik er wel iets van oma’s zalfjes op. En als ik het niet red… Wild schud ik mijn hoofd heen en weer. Daar mag ik niet aan denken. Angst is de vijand. Het verlamt je. Dat is een les die ik al vroeg heb geleerd.

Ik doe geen moeite opnieuw over mijn schouder te kijken en ren verder tot ik bij een grasveld kom dat bedekt is met bevroren sneeuw. Het kraakt onder mijn voeten, maar ik heb nu in ieder geval grip. En ik kan horen waar mijn achtervolgers zijn. Ze hebben het grasveld nog niet bereikt, maar dat kan niet lang meer duren. Ik moet iets vinden waar ik me achter kan verstoppen. Links en rechts doemen de contouren van coniferen en hekwerk op, maar ik kan geen woonhuis of een café binnengaan. Als ik dat doe, zal ik niet het enige slachtoffer van vanavond zijn. Ze laten nooit getuigen achter, zelfs niet als dat betekent dat ze de halve stad moeten vermoorden.

Op het moment dat ik een zwakke geelwitte gloed vlak voor me opmerk, hoor ik de voetstappen weer. De sneeuw kraakt onder het gewicht van mijn aanvallers. Ze zijn dichterbij dan ik dacht. Zo hard mogelijk ren ik in de richting van het lichtje dat sterk genoeg is om me door de mist heen te bereiken. Mijn gejaagde ademhaling klinkt ongewoon hard in mijn oren en ik ben bang dat die me samen met mijn wild kloppende hart zal verraden.

Het lichtje blijkt bij een schuur te horen. Met een ruk sta ik stil en tuur door het raampje. Ik zie heel veel hooi, kratten en zakken, maar geen mensen. Voorzichtig voel ik aan de deur. Die is niet op slot, zoals zo vaak het geval is in dit kleine stadje. Ik ruk hem open en glip naar binnen. De deur valt zachtjes achter me dicht, maar ik merk het nauwelijks. Binnen twee tellen ben ik al aan de andere kant van de schuur en probeer ik me achter een stapel kratten met suikerbieten en zakken aardappelen te wurmen. Naast me liggen een paar dekens. Ik sla er een om me heen om warm te worden, de andere drapeer ik over mijn hoofd om mezelf zo goed als onzichtbaar te maken.

De voetstappen hebben nu ook de schuur bereikt. Met gekruiste vingers hoop ik dat ze doorlopen, dat ze door de mist deze schuur over het hoofd zien.

Maar dat gebeurt niet. Mijn achtervolgers staan net zo plotseling stil als ik deed toen ik de schuur zag.

Mijn hart roffelt in alarmerend tempo tegen mijn borstkas en ik moet mijn ogen sluiten om mijn ademhaling een beetje onder controle te krijgen. Je kunt dit, spreek ik mezelf streng toe. Niemand ziet je.

Mijn god, wat is het koud hier. Met stijve vingers trek ik de deken wat strakker om me heen en probeer niet te rillen. Ik mag niet bewegen tot de achtervolgers weg zijn.

Dan gaat de deur van de schuur open. De scharnieren maken een piepend en krakend geluid. Was dat net ook zo? Ik kan het me niet herinneren. Maar als het zo was, dan heb ik mezelf verraden.

De hijgende ademhaling van mijn achtervolgers dringt mijn oren binnen. Door een gat in de deken zie ik er eentje staan in het midden van de ruimte. Hij is zo lang dat hij met zijn hoofd bijna de balken aan het plafond raakt. Op zijn rug hangt een koker met zilveren pijlen, hij heeft een boog in zijn hand en hoewel hij volledig in het zwart gekleed lijkt, weet ik dat er ergens een zilveren hinde op de stof gestikt is. Hij is een Jager van Artames en als hij me vindt, zal hij zonder te aarzelen op me schieten met een van zijn pijlen.

Ik vraag me af waar de anderen zijn. Meestal zijn ze met z’n vieren, maar toch staat hij hier in zijn eentje.

Hoop welt op in mijn binnenste. Als hij hier daadwerkelijk alleen is, kan ik dit misschien toch winnen. Als ik dicht genoeg bij hem in de buurt weet te komen, kan ik mijn gave gebruiken om hem uit te schakelen. Ik doe het niet graag, omdat ik weet wat de gevolgen zijn, maar het is mijn laatste redmiddel. Als ik doodga, is Livvy helemaal alleen. Ze is nog niet oud genoeg om deze last alleen te dragen. Ze heeft iemand nodig die voor haar zorgt en aangezien we niet weten waar oma woont, zal ik diegene moeten zijn. Ik moet dit overleven en dus moet ik de gave gebruiken die zowel een zegen als een vloek kan zijn.

Maar misschien hoeft het niet. Misschien gaat de man wel weg omdat hij denkt dat ik er niet ben.

Alsof hij mijn gedachten gehoord heeft, draait hij plots zijn gezicht in mijn richting. Ik weet dat hij me niet kan zien, maar toch bekruipt me het gevoel dat hij dwars door de deken heen kan kijken. Het beetje licht dat door het raampje naar binnen schijnt laat zijn zwarte haren glanzen en zijn ogen knijpen zich tot spleetjes. Hij doet een stap naar voren, pakt zonder te kijken een pijl uit zijn koker en spant zijn boog.

Hoe kan hij weten dat ik hier zit? Of gaat hij gewoon pijlen in alle richtingen schieten tot hij doel treft?

Moet ik wegduiken? Moet ik hem verrassen door de deken van me af te gooien? Als ik dat doe, ben ik een wandelende schietschijf, en ik weet uit ervaring dat de Jagers altijd hun doel raken, net als de godin Artames zelf altijd deed.

De Jager richt zijn boog op een plek links van me. De pijl belandt met een zacht plofje in een zak met aardappelen. Hij schiet er nog vijf af, allemaal op nog geen meter bij mij vandaan. Hij weet precies waar ik zit, schiet het door me heen. Hij speelt met me. Waarom doodt hij me niet meteen? Hij weet hoe gevaarlijk ik kan zijn. Ik heb maar één kans nodig, dat heb ik in de loop der tijd wel bewezen.

Zijn ogen glinsteren als hij me recht aankijkt door het gat in de deken. Een trage grijns verschijnt om zijn mond als hij zijn boog opnieuw spant en op het gat richt. Op het moment dat hij loslaat, duik ik weg achter een andere stapel kratten. Links en rechts vliegen de pijlen me om de oren, maar hij raakt me niet. Hij is nog niet uitgespeeld. Aan de grijns op zijn gezicht te zien vindt hij dit kat-en-muisspelletje veel te leuk. Hij geníet hiervan, verdomme.

Nou, als hij zo nodig eerst wil spelen, dan kan hij het krijgen ook. Gesterkt door de gedachte dat hij me niet meteen dood zal schieten, kom ik achter een grote berg suikerbieten vandaan. Met mijn handen in de lucht doe ik voorzichtig een stapje naar hem toe. Ik heb maar één kans en die moet ik op het juiste moment grijpen, anders is het over en uit.

Iets wat lijkt op ergernis verschijnt op zijn gezicht, maar de grijns verdwijnt niet. ‘Dat is jammer.’ De lucht in mijn oren lijkt te trillen door de zware bas in zijn stem. Bijzonder. Ik wist niet dat een stem zo laag kon klinken. ‘Ik had gehoopt dat het wat langer zou duren.’

‘Je hoeft het niet te doen,’ zeg ik, terwijl mijn hart in mijn keel bonkt en mijn armen trillen. Geen angst. Niet bang zijn.

De spieren van zijn boogarm bollen op als hij de pijl verder naar achteren trekt. ‘Je weet dat ik geen keus heb.’

‘Waarom ben je alleen? Waar zijn de anderen?’

Zijn grijns wordt breder, gemener, en daardoor kan ik wel raden wat er aan de hand is. Ik ben niet de enige prooi vanavond. Ze moeten zich hebben opgesplitst. ‘Ik heb ze ervan verzekerd dat ik dit wel alleen aan kan. Maar ik moet eerlijk zeggen: je was moeilijk te vinden, Abby. En dat is vast niet je echte naam.’ Hij recht zijn schouders en brengt zijn boogarm iets omhoog tot schouderhoogte. ‘Niet dat het nu nog iets uitmaakt.’

Op dat moment voel ik een ijzige steek door mijn hart gaan die niets met de kou in de schuur te maken heeft, of met de snijdende wind buiten. Even denk ik dat de pijl van de Jager doel getroffen heeft en zich in mijn hart heeft geboord. Even denk ik dat mijn laatste uur geslagen heeft en dat ik Livvy alleen achterlaat op deze verraderlijke wereld.

Maar dat is niet zo.

Mijn lichaam vult zich met een hitte die ik nog nooit gevoeld heb. Het nestelt zich in mijn hart, mijn buik, mijn benen, mijn vingertoppen en in mijn hoofd. Het laat mijn wangen gloeien, alsof ik thuis voor een knetterend haardvuur zit. Woorden spoken door mijn hoofd, maar het zijn niet mijn eigen gedachten. Wees sterk, Thalia. Wees slim, maar genadig. Gebruik het goed.

Oma? Ik herken haar stem uit duizenden, ook al hebben we elkaar al vijf jaar niet gezien. Niet meer sinds ze mijn ouders als beesten afslachtten, ons huis in brand staken en onze wegen elkaar scheidden voor onze eigen veiligheid.

Waarom hoor ik haar stem? Wat is er aan de hand?

Het besef sijpelt langzaam naar binnen, samen met de hitte, en het laat me machteloos op mijn knieën vallen. Als ik met prikkende ogen opkijk naar de Jager, zie ik dat hij zijn boog heeft laten zakken. Verbazing is op zijn gezicht te lezen.

‘Jullie hebben haar gedood.’

De Jager knikt. ‘Er waren vijf van ons nodig om dat voor elkaar te krijgen. Ze was een sterke tegenstander.’

Die woorden scheuren een oude wond open. De herinnering aan mijn ouders dringt mijn hoofd binnen. Mijn moeder met haar roodbruine haren en haar zachte handen. Mijn vader met zijn gezicht vol littekens, maar met lachrimpeltjes om zijn felblauwe ogen. Mijn oma die Livvy en een rugtas in mijn armen duwt en schreeuwt dat we moeten vluchten.

Woede welt in me op. De hitte neemt bezit van iedere millimeter van mijn lichaam en laat mijn bloed koken. ‘Klootzak,’ sis ik tussen mijn tanden door. ‘Klootzak!’ Hij moet boeten voor wat de andere Jagers hebben gedaan. Voor wat hij heeft gedaan met de andere families. Op dit moment is hij de enige op wie ik mijn woede kan richten. Hij staat symbool voor alles wat ik moet missen, wat ik moet opgeven, en wie ik ben geworden. Ik sta niet toe dat met Livvy hetzelfde gebeurt. Ik zal haar ziel beschermen, al moet ik daarvoor de mijne verkopen.

Dus zet ik mijn laatste redmiddel in en inhaleer diep, zoals ik al vaker heb gedaan.

Bijna meteen valt de Jager op zijn knieën, zijn boog hulpeloos bungelend in zijn linkerhand. De verbazing staat nog steeds op zijn gezicht te lezen, maar de grijns is weg. Hij brengt zijn rechterhand naar zijn keel als hij naar adem begint te snakken.

Dit keer voel ik me niet schuldig als ik nogmaals inhaleer. Dit keer is het anders. Dit keer heeft hij het verdiend, en wat de gevolgen ook zullen zijn, het kan me niet schelen. Het weegt niet op tegen wat de Jagers vanavond hebben gedaan.

De Jager valt voorover op zijn buik. Zijn kin komt hard in aanraking met de houten planken. Ik voel het leven uit hem wegvloeien. Zijn ogen rollen ongecontroleerd in hun kassen en het kwijl druipt uit zijn mond als hij een laatste poging doet om zuurstof in zijn longen te krijgen.

Gebruik het goed, Thalia.

Oma’s stem brengt me van mijn stuk. Opeens voel ik hoe heet mijn wangen zijn, en hoe mijn vingertoppen trillen. Dat gebeurde de vorige keren niet, dus waarom nu dan wel?

Wees genadig, Thalia.

Geschokt laat ik een beetje lucht ontsnappen, waardoor de Jager kans ziet om te kreunen en op zijn rug te rollen. Zijn borst gaat moeizaam op en neer als hij zijn raspende ademhaling weer onder controle probeert te krijgen.

Waarom wil oma dat ik genadig ben? En waarom kan ik haar horen terwijl ze dood is? Dit stuk vreten hier moet boeten voor wat hij heeft gedaan.

De Jager gaat rechtop zitten en staart me kuchend aan. ‘Je… gezicht…’ hakkelt hij. ‘Hoe…’ Een nieuwe hoestbui belemmert hem verder nog iets te zeggen.

‘Wat is er met mijn gezicht?’

De Jager schudt zijn hoofd, alsof hij niet kan geloven wat hij ziet.

Ik sta op, zet een stap in zijn richting en schop zijn boog aan de kant. Met mijn rechterhand til ik zijn kin op en kijk hem recht in zijn ogen. Zijn pupillen zijn verwijd en slokken zijn irissen op, waardoor de kleur uit zijn ogen is verdwenen. Het zijn zwarte poelen waarin dood en verderf de scepter zwaaien, en nog steeds voel ik de woede door mijn lijf razen. Maar de woorden van oma hebben een reden, dat voel ik aan een nieuwe ijzige steek in mijn hart. Ik mag hem niet doden. Ik moet genade tonen.

Maar dat betekent niet dat ik hem zomaar laat gaan.

‘Wat is er met mijn gezicht?’

Op het moment dat ik het vraag, gloeien mijn wangen opnieuw, en ik zie mezelf gereflecteerd in zijn zwarte pupillen, die opeens snel kleiner worden en lichtgroene irissen onthullen.

Ik geef licht. Shit, ik geef lícht!

Onthutst laat ik hem los en voel aan mijn wangen, die zoveel hitte uitstralen dat ik er deze schuur mee zou kunnen verwarmen. Ik ben verdorie net een brandende kachel.

‘Onmogelijk,’ fluistert de Jager met een eerbied in zijn stem die ik niet kan plaatsen. En dan doet hij iets wat ik nooit had verwacht. Hij gaat op een knie zitten en buigt zover voorover dat de pijlen uit hun koker vallen.

Het ziet er zo bizar uit, dat ik spottend begin te lachen. Als reactie daarop schuift er een schaduw over zijn gezicht, alsof hij zich werkelijk iets aantrekt van het feit dat ik hem recht in zijn gezicht sta uit te lachen. Maar ik weet dat het hem geen bal kan schelen. Jagers krijgen wel ergere dingen naar hun hoofd geslingerd. Hij is het gewend. Hij is getraind om zijn emoties uit te schakelen. En als hij het al vervelend of kwetsend vindt, dan zal hij dat vooral niet aan mij, zijn vijand, laten merken.

Mijn waakzaamheid moet even verslapt zijn, want plotseling staat de Jager opnieuw voor me met gespannen boog. Met een schok besef ik weer dat ik vanavond de prooi was, en dat hij me alsnog dood kan schieten. Zeker als je bedenkt wat ik zojuist allemaal met hem heb gedaan. En ik ben te zwak om het nog eens te doen. Het kost enorm veel energie om het leven uit iemand te zuigen. Zou mijn genade me nu zelf het leven kosten?

Maar als ik opkijk, is de blik in zijn ogen niet meer zo hard, de pupillen minder doods. Ik zet een paar stappen naar achteren, verder bij hem vandaan. Hij komt niet naar me toe. Hij kijkt alleen maar vol verwondering naar mijn gezicht.

‘Ga,’ zegt hij met schorre stem. ‘Voordat de anderen hier zijn.’

‘De anderen?’ vraag ik schaapachtig. Maar dan dringt het tot me door. Ze zullen hergroeperen, zoals ze altijd doen. De mannen die mijn oma hebben gedood, zullen zich bij hem voegen.

‘Ga,’ zegt hij opnieuw. ‘Ik geef je de kans om te vluchten.’

Ongelovig staar ik hem aan. Een Jager die genade toont? Dat heb ik nog nooit gehoord. Jagers zijn onverbiddelijk, genadeloos, meedogenloos en laten nooit iemand gaan. Vooral niet iemand zoals ik.

‘Waarom?’ waag ik te vragen.

De Jager sluit even zijn ogen en doet dan een stap naar me toe. Hij pakt mijn kin beet met zijn rechterhand, en ik zie de kenmerkende tatoeage die ze allemaal hebben: een kleine, zilverkleurige halvemaan op de plek waar zijn duim begint. Zijn adem verlaat in wolkjes zijn mond als hij zijn gezicht op maar een paar centimeter afstand van het mijne brengt. Zijn blik vindt de mijne en daarin lees ik geen haat, geen meedogenloosheid. In plaats daarvan zie ik een intens verdriet, een droefheid die me treft als een mokerslag. ‘Je hebt mijn leven gespaard. Door jou te laten gaan, los ik die schuld in. We staan quitte.’ Hij wendt zijn blik af en laat mijn kin los. ‘Dus ga, voor het te laat is.’

Nauwelijks merkbaar geef ik hem een knikje en ren naar de schuurdeur. Ik kijk over mijn schouder omdat ik half verwacht dat hij een pijl in mijn rug gaat schieten. Maar dat doet hij niet. Zijn vingers houden trillend de boog vast terwijl hij een nieuwe hoestbui probeert te onderdrukken.

Gebruik het goed, echoot het door mijn hoofd.

Met een ruk draai ik me nog één keer om. Ik sluit mijn ogen en adem uit, met mijn gedachten op de Jager gefocust. Al voordat ik mijn ogen open, weet ik dat het gewerkt heeft. De Jager heeft weer kleur op zijn wangen en het hoesten is gestopt. Verbaasd kijkt hij van zijn vingers naar mij en weer terug.

‘Graag gedaan,’ zeg ik. Voor ik me kan bedenken, duw ik de deur open en ren weg over de met sneeuw bedekte paden, naar huis. Naar Livvy.